you're reading...
ecomodernisme

Ecomodernisme

Het is nu ook alweer vier jaar geleden (in april 2015) dat An Ecomodernist Manifesto de wereld werd ingestuurd.  In 2017 publiceerden een aantal Nederlandse ecomodernisten (en één Vlaamse ecomodernist) het boek Ecomodernisme. Het nieuwe denken over groen en groei. Later volgde in Nederland de oprichting van de Stichting Ecomodernisme. En nu (juni 2019) is er het boek Ecomodernism. Technology, Politics and the Climate Crisis van Jonathan Symons, verbonden aan de Macquarie University in Sydney, Australië. Alvast een welgekomen verfrissing van het ecomodernistische gedachtengoed.

Want zo’n verfrissing van het ecomodernisme is misschien wel meer dan ooit aan de orde, vooral in tijden waarin vooral karikaturen van het ecomodernische gedachtengoed circuleren, vaak door de associatie met het ‘ecorealisme’ van de N-VA (bv. De gevaarlijke stilstand van het ecorealisme – De Standaard, 28 januari 2019; Open brief aan N-VA: jullie klimaatbeleid is greenwashing – MO, 30 januari 2019; Laten we hopen dat het “ecomrealisme” van N-VA geen “ecopopulisme” wordt – KNACK, 3 februari 2019; Wetenschappers zijn geen alarmisten, het is de wetenschap die alarmerend is – KNACK, 12 april 2019). Symons schetst in zijn boek duidelijk waarvoor volgens hem het ecomodernisme staat, en hoe het zich verhoudt tot het klassieke ecologisme, waarvan het ecomodernisme een recente afscheuring is. Hij spaart trouwens de kritiek niet op het ecomodernisme. Uiteindelijk daagt hij de ecomodernisten – als ecologisten van de 21e eeuw – uit om hun droom van het Goede Antropoceen ook waar te maken.

Symons start zijn analyse in 1988, het jaar waarin James Hansen in een getuigenis voor de US Senate Energy and Natural Resources Committee stelt dat klimaatverandering reeds aan het gebeuren is. Hierna volgen 30 jaar van internationale dadeloosheid, gekenmerkt door een snelle toename van de globale CO2-uitstoot, maar ook door een ongeziene groei van de globale welvaart. Hij ziet als oorzaak van dit falende klimaatbeleid een verkeerde aanpak, namelijk een aanpak die voortbouwt op internationale politieke onderhandelingen, afspraken, doelstellingen en verdragen. Het internationale klimaatbeleid mist een expliciete innovatiestrategie die cruciaal is om een volledige decarbonisering politiek en maatschappelijk mogelijk te maken. De snelle en volledige decarbonisering van de wereldeconomie ziet Symons dan ook als de hoogste prioriteit die ecomodernisten voorop stellen, dit in tegenstelling tot de klassieke ecologisten, die eerder een prioriteit zien in een ‘groene’ cultuuromslag.

Vervolgens tracht Symons het ecomodernisme te omschrijven door het te plaatsen tegenover het klassieke ecologisme. Zowel het ecomodernisme als het klassieke ecologisme vertrekt vandaag vanuit de sense of urgency van de klimaatcrisis. Alleen zijn de ecomodernisten, als ecologisten van de 21e eeuw, niet ‘belast’ met een voorgeschiedenis die ingegeven is door een verlangen naar “een leven in harmonie met de natuur”, waaruit het verzet groeide tegen bepaalde ‘ongewenste’ technologische ontwikkelingen. Ecomodernisten vertrekken vanuit een globaal perspectief, waarbij het ultieme doel is dat alle mensen op aarde een modern en welvarend leven kunnen leiden, goed beseffende dat dit onmogelijk is met het, op fossiele brandstoffen gebaseerde, technologisch metabolisme van de huidige, 20e eeuwse, maatschappij. Concreet willen ecomodernisten inzetten op een snelle ontwikkeling van die gemeenschappen die het meest bedreigd worden door de klimaatverstoring, omdat zij overtuigd zijn dat welvaart de beste bescherming biedt tegen de negatieve effecten van de onvermijdelijke klimaatverstoring. Ecomodernisten kunnen zich dan ook niet vinden in de Malthusiaanse ‘politiek van grenzen’, die de kern van het ecologische gedachtengoed vormt. Deze politiek vertaalt zich in het streven naar een globale reductie van consumptie. Dergelijke politiek houdt in de ogen van de ecomodernisten een onaanvaardbaar gevaar in dat de miljarden mensen in ontwikkelingslanden het ‘recht’ ontzegd worden om toe te treden tot de moderniteit waarvan wij in het welvarende westen kunnen genieten. Ecomodernisten kiezen resoluut voor de pragmatische weg vooruit. Zij kiezen voor de weg van versnelde technologische ontwikkelingen, die de mens in staat moet stellen de planetaire grenzen te overstijgen. Dit is de weg van de Promethiaanse ‘politiek van innovatie’. Een versnelde innovatiestrategie moet zo snel mogelijk leiden tot een wereldwijde gedecarboniseerde maatschappij, en de natuur bevrijden van menselijke impact … het ecomodernistische ideaal van de ontkoppeling.

Symons gebruikt een opmerkelijke metafoor om de ecomodernistische insteek te illustreren, de eindscène van de film Thelma & Louise (1991), waarin de dames kiezen voor de vlucht vooruit door recht de afgrond van de Grand Canyon in te rijden. Daar heeft hij inderdaad een punt. In het aanzien van een mogelijke klimaatapocalyps kiezen ecomodernisten – vol van hoogmoed zouden de ecologisten zeggen – voor de vlucht vooruit. Ze proberen niet halstarrig vast te houden aan de ‘goede oude tijd’, waarvan iedereen weet dat die nooit meer terugkomt. Al worden ecomodernisten vaak als techno-optimisten afgeschilderd, ze zouden beter als klimaatpessimisten worden aanzien. Zij gaan er immers vanuit dat een opwarming van minder dan 2°C een utopische wensdroom is, zeker niet met de technologieën, waarover we nu beschikken. Zij zien het dan ook als prioriteit de miljarden mensen in ontwikkelingslanden, die het meest kwetsbaar zijn voor de effecten van die onvermijdelijke klimaatverstoring van meer dan 2°C, zo snel mogelijk toegang te geven tot de moderniteit, omdat welvarende gemeenschappen het meest weerbaar zijn om de negatieve effecten van de klimaatverstoring op te vangen. Omdat zij de klimaatverstoring eigenlijk zien als een onbedoeld gevolg van de vooruitgang, zien ecomodernisten eerder de ‘foute’, 20e eeuwse technologieën als bron van het probleem, niet de kapitalistische groei.

De uitdaging waarvoor de wereld staat, is ongezien. Het globale technologische metabolisme moet zo snel mogelijk worden getransformeerd naar een ‘zero carbon‘ globale maatschappij. Ecomodernisten zien deze snelle en grootschalige transitie niet gebeuren met de huidige technologieën. In tegenstelling tot de klassieke ecologisten, kiezen ecomodernisten bovendien voor een high-energy’ toekomst, niet voor een ‘low energy’ toekomst. Zij vrezen immers dat een ‘low energy’ toekomst meer dan de helft van de wereldbevolking de moderniteit ontzegt waarvan wij in het welvarende westen kunnen genieten.

Een klimaatbeleid moet dan ook volledig inzetten op ‘low carbon’ innovatie. Die ‘politiek van ‘low carbon’ innovatie’ kan enkel slagen als een sterke overheid er zijn schouders onder zet. Versnelde technologische doorbraken worden immers publiek gefinancieerd en staan zo onder democratische controle. Ecomodernisten pleiten dan ook voor sterke (nationale) staten die proactief een innovatiebeleid voeren en zo richting geven aan de economie. Zij verwerpen de neoliberale weg van de planetaire uitputting, maar zijn terzelfdertijd wantrouwig tegenover het antikapitalisme van de klassieke ecologisten. Ecomodernisten kiezen voor de derde weg, de weg van het progressief kapitalisme (zie ook ‘Het neoliberalisme is dood en begraven. Wat nu?’ – De Standaard, 7 juni 2019). Zij kiezen eigenlijk bewust voor een versnelling van de economische groei om zo een versnelde wereldwijde welvaartsverspreiding te realiseren terwijl terzelfdertijd het technologisch metabolisme van de wereld versneld gedecarboniseerd wordt. Het lijkt wel een mission impossible! Aan de ecomodernisten om de wereld te overtuigen dat dit Goede Antropoceen voor 9 miljard wereldburgers haalbaar is op een ecologisch bloeiende planeet.

Op dit vlak is Symons het meest kritisch ten opzichte van het ecomodernisme. Hij stelt zich terecht de vraag hoe universele menselijke voorspoed, vooral voor de meest kwetsbaren, te realiseren valt in een steeds meer vijandige, warmere wereld. Ecomodernisten gaan immers ook uit van het zelfbeschikkingsrecht van ontwikkelingslanden, om hun eigen pad naar welvaart en ontwikkeling uit te stippelen, zonder dat wij bijvoorbeeld hen de toegang ontzeggen tot bepaalde ‘ongewenste’ technologieën (waaronder zelfs fossiele brandstoffen), of bepaalde keuzes opleggen. Ecomodernisten verwerpen het concept van ‘green conditionality’ van ontwikkelingshulp. Als uitweg stelt Symons voor dat ecomodernisten zich inschrijven in een globaal sociaal-democratisch gedachtengoed, waarbij een balans gevonden wordt tussen het primaat van de politiek in sterke, onafhankelijke natiestaten en het bevorderen van internationale samenwerking.

Hier ontwikkelt Symons een interessant gedachte-experiment rond solar geoengineering. Stel dat één of meerdere ontwikkelingslanden, die het minst schuld hebben aan de klimaatverstoring, maar wel het eerst en zwaarst getroffen worden, kiezen om door solar geoengineering de impact van de klimaatverstoring op de eigen bevolking te verzachten. De weerstand in het westen, vooral in klassiek ecologische hoek, zal groot zijn. Reeds de dreiging om in te zetten op solar geoengineering kan al voldoende zijn om meer internationale solidariteit los te weken in het welvarende westen. Maar als de ontwikkelingslanden doorzetten vanuit hun legitiem zelfbeschikkingsrecht, krijgen ze een nog krachtigere stok achter de deur in handen, met name de dreiging te stoppen met de solar geoengineering. Dit zou immers leiden tot een ‘termination shock’, een plots verergeren van de impact van de klimaatverstoring, mogelijk wereldwijd. Uiteindelijk zou ook dan deze dreiging kunnen leiden tot meer internationale samenwerking.

Symons besluit zijn boek met de hoop dat ecomodernisten de kans krijgen om mee te bouwen aan een effectief globaal klimaatbeleid, net door voorbij de planetaire limieten te durven kijken, en de vlucht vooruit te nemen door te pleiten voor gedurfde, systemische en globale antwoorden op de grootste uitdaging waarvoor de mensheid ooit heeft gestaan, universele menselijke voorspoed op een ecologisch bloeiende planeet.

Ik kan alleen maar het boek van Jonathan Symons aanraden, niet alleen aan ecomodernisten, die wat meer diepgang zoeken, of aan ecorealisten, die het échte ecomodernisme wensen te ontdekken, maar ook en vooral aan ecologisten. Waarvoor ecomodernisten staan, lijkt hen mogelijk ‘tegennatuurlijk’ en hoogmoedig. De karikatuur is dan een makkelijke uitweg. Maar er is ook een moeilijkere weg, een weg die uiteindelijk ergens toe leidt, dat is de weg naar de dialoog, waarbij ecologisten en ecomodernisten elkaars gedachtengoed vooreerst waarderen, en op zoek gaan naar wat hen bindt in plaats van wat hen scheidt. Dit lijkt me de enige weg vooruit …

Discussion

No comments yet.

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

Follow EarthlyMatters on WordPress.com
%d bloggers like this: