Geology & Society (in Dutch)

Op deze pagina zijn gepubliceerde opiniestukken verzameld die betrekking hebben op mijn visie over maatschappelijke probleemstellingen die toch in relatie staan met de geologie.


Uitersten in klimaatdebat zijn verenigd in angst
(gepubliceerd op 29 januari 2019 in De Morgen; pdf)

Toen in het Britse Lagerhuis de Brexit-deal van Theresa May massaal werd weggestemd, deed er zich iets merkwaardigs voor in de straten rond het Parlement. Zowat alle manifestanten stonden te juichen, zowel de harde Brexiteers als de ‘Remainers’. Als ik het huidige klimaatdebat aanschouw – of laat ik eerder zeggen, het ontbreken van een echt klimaatdebat – dan krijg ik het gevoel iets vergelijkbaars mee te maken. De uitersten lijken plots wel bondgenoten. Ze lijken immers verenigd in angst. En we weten allemaal dat angst een slechte raadgever is.

Aan de ene zijde overheerst de angst om hard bevochten verworvenheden te verliezen, om niet meer het leventje te mogen leiden waaraan men toch zo verknocht is, de zomerse barbecue met een T-bone steak, de low-cost citytrip naar Barcelona, of gewoon naar de stad rijden met die versleten diesel. Die angst heerst zowel bij velen van de gele hesjes, alsook bij de libertair die elke betutteling van wie dan ook maar niets vindt. Zij zijn bang dat de ecologische voortrekkers, vanuit hun toch wel elitaire – vaak stedelijke – bubbel, hen gaat opleggen wat nog mag en niet mag. Deze angst doet hen bovendien wegkijken van de realiteit. Zij vinden dan ook soelaas in het discours van klimaatontkenners die de menselijke rol in de klimaatopwarming minimaliseren, tegen de overweldigende wetenschappelijke bewijslast in. De klimaatontkenners geven hen uiteindelijk die laatste strohalm waaraan ze zich kunnen vasthouden. En ja, deze explosieve mix van angst en klimaatontkenning vindt meer en meer zijn weg naar het publieke debat en het politieke discours. Kijk maar hoe in Nederlands vanuit deze hoek met alle mediamiddelen wordt ingehakt op het ambitieuze klimaatakkoord. En dan zwijgen we nog over de Trumps en Bolsonaro’s van deze wereld.

Aan de ander zijde wordt ook op de angst ingespeeld, maar nu op de angst voor het einde van de planeet, angst voor de klimaatapocalyps, niet langer tegen het einde van de eeuw of later, maar al binnen enkele decennia. Die angst lijkt toch ook een belangrijke drijfveer te zijn voor de klimaatspijbelaars om op straat te komen. Plots beseffen ze immers dat de geschetste doembeelden over hun toekomstige wereld gaat. Enig fatalisme maakt zich dan ook meester van hen. Die angst wordt in stand gehouden door overdreven te focussen op de worstcasescenario’s die uit de complexe klimaatmodellen rollen. Die angst wordt beschouwd als het noodzakelijke instrument om de sense of urgency kracht bij te zetten en zo, zowel beleidsmakers als u en ik, aan te zetten tot dringende klimaatactie. De overtuiging dat het niet vijf voor twaalf maar vijf na twaalf is, leidt bovendien tot een zekere tunnelvisie, waarbij alles moet wijken voor dat éne doel, de reductie van de CO2-uitstoot, of dat het nu pijn doet of niet, of het nu effectief is of niet. Elke afwijkende visie desbetreffend wordt genadeloos geframed als een gevaar voor het klimaat. Enkel zij kennen immers dé oplossingen voor het klimaatprobleem. En als er dan in het kader van een klimaatbeleid door overheden, regionaal, nationaal of Europees, toch maatregelen genomen worden, is het voor hen ook steeds – bijna standaard – too little too late. Je zou voor minder moedeloos worden.

Door de angst houden beide extremen elkaar in een wurggreep. Het publieke debat is verworden tot een welles-nietesgeroeptoeter. Een redelijk debat is niet meer aan de orde. En uiteindelijk blijven we, gedreven door de angst, wat morrelen in de kantlijn waarbij ieder zijn politieke stokpaardjes bovenhaalt, gaande van de oplossing te zoeken bij de zogezegde ‘grote vervuilers’, tot het utopisch pleiten voor de bouw van nieuwe kerncentrales. We durven gewoon niet de grote sprong voorwaarts te maken. En die moeten we dringend maken. Alleen lijkt het erop dat we hiervoor niet op de politiek moeten rekenen, noch op de ecologisten ‘op links’, noch op de ecorealisten ‘op rechts’. Misschien heeft Anuna De Wever wel gelijk: het is nu hoogdringend tijd aan de experts, over alle disciplines heen, om de koppen bijeen te steken en vanuit een geloof in ons eigen kunnen, niet vanuit de angst voor het onbekende, en zonder enige politieke of ideologische vooringenomenheid, vanuit een systeemdenken een weg uit te stippelen naar een duurzame toekomst.


Nood aan een radicale transitie naar klimaatneutraliteit om opwarming te beperken
Manuel Sintubin & Tomas Wyns
(gepubliceerd op 10 december 2018 op het nieuwsplatform VRT NWS)

Er is geen weg terug. De volgende generaties zullen niet meer kunnen ontsnappen aan een warmere wereld. De mens, gewoon aan een wereld van ijstijden en tussenijstijden, begeeft zich dan ook op totaal onbekend terrein. Onze generatie is gelukkig wel tot het besef gekomen dat we een einde moeten maken aan het planetaire experiment, waaraan we zo’n 150 jaar geleden begonnen zijn, door atmosferisch CO2 dat miljoenen jaren door de aarde is vastgelegd onder de vorm van steenkool, aardgas en aardolie, aan een geologisch ongezien tempo terug de atmosfeer in te pompen. Uiteindelijk zal de snelheid waarmee we een einde maken aan dit experiment, bepalend zijn hoe warm die warmere wereld uiteindelijk zal worden. We hebben dan ook in het Parijsakkoord ons voorgenomen dit zo snel mogelijk te realiseren, zeker in de tweede helft van deze eeuw of zelfs vroeger om een kans te hebben de gemiddelde globale temperatuurstijging onder +1.5˚C te houden.

Alleen beseffen velen onder ons niet voor welke uitdaging we eigenlijk staan, zeker rekening houdend met een wereldbevolking die tot het einde van de eeuw nog steeds zal groeien, en die een nauwelijks te vatten honger naar voedsel, grondstoffen en energie zal hebben om zo een levensstandaard te bereiken waarvan wij in het westen al decennialang kunnen genieten.

Alle beetjes helpen in de transitie naar klimaatneutraliteit, wat minder vlees, de thermostaat een graadje lager, met de fiets naar de bakker, de auto wat meer inruilen voor de trein, die vliegreis naar Barcelona schrappen, enz.. Toch zal dit bij lange na niet voldoende zijn. Dat ook in 2018 de globale CO2-uitstoot weerom gestegen is, zet ons voor deze ongemakkelijke waarheid. Er is nood aan een radicale techno-economische transformatie, daarenboven binnen een tijdsspanne korter dan in dewelke de vorige industriële revoluties plaatsvonden. Daarvoor zijn grootschalige, wereldwijde veranderingen nodig op een veelheid van terreinen terzelfdertijd, gaande van energievoorziening, transport, landbouw en industrie. In het bijzonder, broeikasgasemissies elimineren bij de productie en gebruik van basismaterialen blijft een van de moeilijkste opdrachten.

De CO2– en energie-intensieve industrie, met voorop de staal-, chemie- en cementindustrie, die een niet te onderschatten bijdrage leveren aan de globale CO2-uitstoot, moet dus volledig gedecarboniseerd worden. Dit kan door het gebruik van (CO2 vrije) waterstof en massale elektrificatie en biomassa om deze processen aan te drijven. Ook het afvangen en opslaan van CO2 (carbon capture and storage) of het aanwenden van CO2 als grondstof (carbon capture and utilisation)  zullen belangrijke opties zijn. Industriële sectoren zullen ook (op niveau van clusters) moeten samenwerken (industriële symbiose) om efficiënter met grondstoffen, energie en afvalstromen om te gaan. Maar ook het eindgebruik van producten zal veel efficiënter moeten worden samen met het streven naar circulariteit in basismaterialen zoals kunststoffen, staal en andere metalen en beton. Tenslotte gaan we volgens het IPCC niet kunnen ontsnappen aan de massale inzet van negatieve emissietechnologieën om rechtstreeks CO2 uit de atmosfeer te halen en vast te leggen.

En daar wringt nu net het schoentje. Vele van deze technologieën liggen op de tekentafel of bevinden zich in een experimentele fase. Al deze technologieën moeten nog hun ontwikkelingsfase doormaken van tekentafel tot wereldwijde industriële implementatie. En dan is 2050, het moment dat al deze technologieën industrieel toepasbaar moeten zijn echt dichtbij. Zonder een missiegericht beleid op alle niveaus (regionaal, nationaal, Europees en globaal) is het realiseren van zulke klimaatneutrale industriële revolutie onmogelijk.

In het bijzonder is er nood aan de volgende zaken. Ten eerste een ambitieus Onderzoeks- en Ontwikkelingsbeleid dat gebruik maakt van de know how aanwezig in de onderzoeksinstellingen en het bedrijfsleven. Dit beleid zal doelgericht moeten zijn en zich focussen om veelbelovende technologieën op grote schaal te demonstreren. Voorts zal de ondersteunende infrastructuur voor nieuwe bedrijfsprocessen gefinancierd moeten worden. We denken hier aan transport van waterstof en CO2 en de versterking van elektriciteitsnetwerken. Ook zal er via publiek private samenwerking een aanzienlijke hoeveelheid kapitaal in deze nieuwe, dure en risicovolle processen geïnjecteerd moeten worden. Tenslotte moet er gewerkt worden aan een faciliterend regelgevend kader zodat nieuwe klimaatneutrale producten een markt vinden door de invoering van standaarden of het gebruik maken van openbare aanbestedingen.

Als dit lukt dan staan we nu aan de vooravond van een nooit geziene technologische en industriële revolutie. Het zullen uiteindelijk wel onze grijze cellen zijn die het klimaat gaan redden. De transitie naar een duurzame wereld zal technologisch zijn of niet zijn!


Toeristen, wees voorbereid op aardbevingen
(gepubliceerd op 9 augustus 2018 in De Morgen; pdf)

In de berichtgeving over de zware aardbeving die zondag het Indonesische Lombok trof, bleven toch een aantal beelden bij mij nazinderen. Zoals het beeld van een aantal westerse toeristen die met hun veelkleurige rolkoffers achter zich aan langs een totaal ingestort huis op weg zijn naar ergens (waarschijnlijk zo snel mogelijk huiswaarts). Of het dramatische beeld van de toeristen die zich verdringen aan de pier om zo snel mogelijk met de ferry een van de totaal verwoeste Gili-eilanden voor de kust van Lombok te ontvluchten. Of de toeristen in de luchthaven die voor de camera hun beklag doen dat ze niet weg kunnen van dit verdomde eiland omdat alle vluchten volgeboekt waren. Beelden die in schril contrast staan met de beelden van wanhopige Indonesiërs die naar geliefden en kostbaarheden op zoek zijn tussen het puin van wat ooit hun thuis was. En ondertussen loopt de dodentol gestaag op. Geluk bij een ongeluk, tot op heden geen toeristen onder de slachtoffers.

Natuurlijk hebben de toeristen ook het trauma doorgemaakt van de aardbeving. Zo’n zware aardbeving wens je niemand toe. Misschien meer nog dan de Indonesiërs zelf, die al het een en ander gewoon zijn als het op aardbevingen aankomt. Maar toch laten die beelden een wrange nasmaak achter. Beseffen die vluchtende, ongedeerde toeristen dan niet dat ze in de uren na de aardbeving de hulpdiensten, die op dat moment wel andere zorgen aan hun hoofd hebben, in de weg lopen? Zien zij dan niet in dat de weinige boten die beschikbaar zijn, best in de eerste plaats ingezet worden om gewonden van de Gili-eilanden te evacueren? Want uiteindelijk, van zodra van de schrik bekomen, weten de ongedeerde toeristen dat hen eenmaal terug in eigen land het comfort van een warme thuis wacht. Dit in tegenstelling tot de zwaar getroffen inwoners van Lombok. Hen wacht een zware lijdensweg.

Laten we echter het moraliserende vingertje maar achterwege. Want dan moet ik eerst zelf eens in de spiegel kijken en me afvragen hoe ik zelf zou reageren in zo’n situatie, ver weg van huis, in een vreemde omgeving, blootgesteld aan zo’n natuurgeweld. Toch valt er weerom iets te leren uit deze chaos.

Vooreerst dat de aardbevingsdreiging geglobaliseerd is. Het is niet langer enkel een dreiging voor zij die in aardbevingsgevoelige gebieden wonen. Het is een dreiging voor ons allemaal, de reizende mens, geworden. Ook voor zij die in niet-aardbevingsgevoelige landen, zoals België of Nederland, wonen. De geïnterviewde toeristen laten duidelijk blijken dat ze totaal niet doorhadden dat iets dergelijks überhaupt kon gebeuren op dit idyllische vakantie-eiland. Vulkanen, dat wel, dat geeft hoogstens wat nachtelijk spektakel, maar aardbevingen, dat niet. De schoolboeken aardrijkskunde zitten blijkbaar al heel ver weggestopt op zolder.

Om zich te beschermen tegen aardbevingen geldt eigenlijk maar één vuistregel: wees voorbereid. Ik vrees alleen dat je het aantal toeristen op Lombok, dat zich weldegelijk heeft voorbereid op mogelijk aardbevingen, op één hand kan tellen. Hoeveel toeristen zouden op voorhand een eigen noodplannetje hebben uitgewerkt in geval van? Hoeveel Belgische Indonesiëgangers zouden de webpagina van Buitenlandse Zaken met richtlijnen voor verblijf in aardbevingsgevoelige gebieden, geraadpleegd hebben? Ik vrees zo goed als geen enkele.

Maar het wordt ook tijd dat reisorganisaties en reisbegeleiders hun verantwoordelijkheid nemen. Bij het boeken van reizen naar aardbevingsgevoelige gebieden, of het nu gaat over een all-in vakantie of enkel vliegtickets, zouden zij de mensen daarover tenminste moeten informeren, hen verwijzen naar relevante webpagina’s, of hen zelfs een kleine flyer meegeven met richtlijnen. En neen, hierin schuilt geen gevaar dat men mensen gaat afschrikken om nog bepaalde bestemmingen aan te doen. Integendeel. Een verwittigd mens telt uiteindelijk nog altijd voor twee.

Ook plaatselijk moeten reisorganisaties meer proactief met de aardbevingsdreiging omgaan. Reeds in de selectie van mogelijke hotels kan men rekening houden met de aardbevingsbestendigheid van de gebouwen. Reisbegeleiders ter plaatse zouden hun klanten, naast de klassieke uitleg over al wat er in de omgeving te beleven valt, de nodige instructies kunnen geven over hoe zich voor te bereiden op een mogelijke aardbeving, wat te doen tijdens een aardbeving, alsook de nodige afspraken te maken over wat er te gebeuren valt na een zware aardbeving. Met zo’n noodplan kan dan immers vermeden worden dat in de eerste uren na de aardbeving toeristen voor de voeten lopen van de hulpdiensten. Evacuatie kan dan tenminste op een georganiseerde manier gebeuren.

Maar laten we vooral afspreken dat alvorens je je volgende reis plant, je toch nog eens die schoolboeken aardrijkskunde van onder het stof haalt. Dan weet je tenminste al welke natuurfenomen je mogelijk allemaal te wachten staan op uw gedroomde reisbestemming. Wees gewoon voorbereid!


Laten we het voortouw nemen bij diepzeemijnbouw
Niels Hulsbosch, Manuel Sintubin & Philippe Muchez
(gepubliceerd op 5 april 2018 in De Morgen)

De diepzee ligt bezaaid met rijke metaalafzettingen. Niet verwonderlijk dat nationale regeringen en mijnbouwbedrijven deze metaalafzettingen in het vizier nemen. Ook de Belgische overheid steunt de exploratie van deze diepzee-afzettingen. Vooral de mangaanknollen op de abyssale vlaktes – op een diepte van 4000 tot 6000 m – trekken de aandacht. Deze knollen bestaan hoofdzakelijk uit ijzer- en mangaanhydroxiden maar bevatten ook een verscheidenheid aan zeldzame metalen, in het bijzonder kobalt. Kobalt is een zodanig fundamenteel – en op het moment onvervangbaar – element in onze transitie naar een duurzame wereld, dat het ook niet verwonderlijk is dat het door de Europese Commissie wordt gezien als een van de 27 kritieke metalen en grondstoffen. Kobalt vindt immers zijn belangrijkste toepassing (42%) in hoogwaardige batterijen, essentieel voor de ontwikkeling van ‘low carbon’ energietechnologieën. De voorraden aan kobalt in de diepzee worden geschat op een veelvoud van de gekende voorraden op land. Diepzeemijnbouw opent dan ook het perspectief de aanvoer van dit kritieke metaal voor de toekomstige noden te verzekeren.

Nu dat de vooruitzichten op diepzeemijnbouw steeds realistischer worden, groeit ook het verzet vanuit de milieubewegingen. Zij beroepen zich vooreerst op het voorzorgsprincipe en betwijfelen enige noodzaak van deze bijkomende bron van primaire grondstoffen in de context van een goed draaiende circulaire economie. Zo pleitte recent de Bond Beter Leefmilieu er nog voor dat de Belgische overheid elke financiële of andere steun voor diepzeemijnbouw zou stopzetten (‘Belgische mijnbouw op de diepzeebodem: een race to the bottom’ – Olivier Beys, 16 maart 2018). Maar is het nu wel het moment om aan de zijlijn te gaan staan, net nu dat internationaal de kaders worden uitgetekend waarbinnen diepzeemijnbouw mogelijk zal kunnen plaatsvinden in de toekomst? In deze vroege testfase, hangen er inderdaad nog vele vragen rond diepzeemijnbouw, gaande van de technische haalbaarheid tot de economische rentabiliteit. Maar de grote onbekende is zeker de inschatting van de risico’s verbonden met diepzeemijnbouw. Zonder enige twijfel zal diepzeemijnbouw een niet te verwaarlozen impact hebben op de abyssale fauna en flora, waarvan we voor het ogenblik nog zo weinig weten. Hier delen we zeker de grote bezorgdheid van de milieubewegingen. Marien biologisch onderzoek naar deze kwetsbare ecosystemen op mogelijke exploitatiesites dienen elke testfase vooraf te gaan om zo niet alleen de impact, maar ook het regeneratiepotentieel van het ecosysteem te kunnen evalueren.

Het is echter onredelijk te denken dat een mondiale samenleving, met een exponentieel groeiende wereldbevolking en een gestage toename in welvaart, geen primaire grondstoffen meer nodig heeft, zeker op korte termijn, maar ook op middellange tot lange termijn. De recyclage van secundaire grondstoffen na hun gebruik– de kern van een circulaire economie – staat immers ook nog steeds in zijn kinderschoenen. Het recyclagepotentieel van kritieke metalen, zoals kobalt, aan het einde van de levenscyclus is nog steeds laag (~35% voor kobalt volgens de Europese Unie). Ook de aanvoer van vele secundaire kritieke grondstoffen is momenteel nog te beperkt doordat ze ingebouwd zijn in apparaten met een steeds langere levensduur. Nog lang zal de bijdrage van secundaire grondstoffen ontoereikend zijn om aan de toenemende vraag te voldoen en zullen we dus een beroep moeten doen op primaire grondstoffen. Bovendien neemt de milieu-impact van mijnbouw op land steeds meer toe, vooral omdat door toenemende metaalprijzen en efficiëntere mijnbouw- en extractietechnologieën, het ontginnen van grootschalige maar laaggradige afzettingen economisch rendabel geworden is.

We mogen ook niet naïef zijn. Als diepzeemijnbouw op internationaal vlak technisch en economisch haalbaar wordt, zal diepzeemijnbouw niet meer tegengehouden kunnen worden. We mogen dan ook niet de opportuniteit aan ons voorbij laten gaan om een actieve rol te spelen in deze initiële onderzoeksfase van de exploratie van diepzee-afzettingen. Onderzoeksprogramma’s gedreven vanuit een symbiose tussen universiteiten, onderzoeksinstellingen, bedrijven, en overheden moeten ons nu in staat stellen om zo snel mogelijk relevante geologische, marien biologische en mijnbouwkundige kennis te verwerven. Dit onderzoek moet instaan voor een degelijke wetenschappelijke onderbouwing bij het ontwikkelen van robuuste milieu-, sociale en institutionele regelgeving voor het evalueren, bewaken en reguleren van de toekomstige diepzeemijnbouw. We moeten samen werken aan het tot stand brengen van een cultuur van verantwoordelijk bestuur en beheer van diepzee-afzettingen, om uiteindelijk te zorgen voor een zo beperkt mogelijke milieu-impact van deze nieuwe industrietak die mee kan instaan voor de kritieke grondstoffen voor een hoogtechnologische, duurzame samenleving.

Het is dus nu zeker niet het moment om aan de kantlijn te gaan staan. Hier heeft België een aantal troeven in handen om in deze initiële, maar ook cruciale, fase een voortrekkersrol te spelen, met een uitgebreide wetenschappelijke expertise aan universiteiten en onderzoeksinstellingen, maar ook met wereldspelers op het vlak van zowel mariene ontginningen als recyclage van kritieke grondstoffen. Nu elke betrokkenheid in de ontwikkeling van diepzeemijnbouw opzeggen, kan in de toekomst leiden tot onverantwoord en ongereguleerd ontginnen zonder enige aandacht voor de milieu-impact, mogelijk onvoorziene prijsfluctuaties en verstoring van de markt, maar ook tot een mogelijke braindrain aan expertise uit ons land. De uiteindelijke beslissing om in te zetten op diepzeemijnbouw als een van de vormen van primaire grondstoffenproductie, zal een zorgvuldige beoordeling vergen van alle mijnbouwtechnische, milieu-gerelateerde, economische en sociale gevolgen in het kader van de internationaal afgesproken duurzaamheidsdoelstellingen. Laat ons dan ook in dit proces het voortouw nemen en een onuitwisbare stempel drukken op de internationale standaarden waaraan diepzeemijnbouw moet voldoen. Een verantwoorde, sterk gereguleerde en gemonitorde ontginning van primaire grondstoffen in de diepzee kan complementair zijn aan de ontginning van secundaire kritieke grondstoffen in het kader van een circulaire economie. Dat de Belgische overheid zich nu zou terugtrekken uit dit vroege stadium van een proces dat nog jaren, zelfs decennia zal in beslag nemen, zou dan ook een fout signaal zijn.


‘Negatieve emissies niet afwijzen’
(gepubliceerd op 17 januari 2018 in KERK & leven; pdf)

Wist je dat de Aarde al een paar miljard jaar lang het broeikasgas CO2 uit de atmosfeer haalt en vastlegt in kalkgesteenten. Gelukkig maar, anders was de Aarde nu een uitgedroogde, oververhitte, levenloze wereld, net als Venus. Waarom zouden wij het dan ook gewoon niet doen? Sinds de industriële revolutie hebben we immers heel wat CO2 (ongeveer 2100 gigaton) de atmosfeer ingepompt. Om tegen 2100 de klimaatopwarming onder de 2°C te houden, hebben we nu nog een koolstofbudget van ongeveer 800 gigaton CO2. Bedenk dat we vandaag ongeveer 40 gigaton CO2 per jaar de atmosfeer inpompen. Veel tijd rest ons dan ook niet meer alvorens ons koolstofbudget opgebruikt is. Dus ja, waarom halen we al dat extra CO2 niet gewoon uit de atmosfeer, net zoals de Aarde zelf doet.

Vandaag staan tal van natuurlijke en technologische negatieve emissietechnologieën (NET’s), kortweg NET’s, in de steigers. Bij natuurlijke NET’s denken we bijvoorbeeld aan massale (her)bebossing. Bij technologische NET’s denken we vooral aan de klassieke CCS, ofwel Carbon Capture & Storage, waarbij het opgevangen CO2 wordt opgeslagen in ondergrondse reservoirs of als minerale neerslagen wordt vastgelegd. Daarnaast is er een gecombineerde natuurlijke-technologische aanpak, gekend als BECSS, ofwel Bio-Energy with Carbon Capture & Storage. Hierbij wordt eerst op plantages het atmosferische CO2 vastgelegd in biomassa. Deze biomassa wordt vervolgens gebruikt om elektriciteit te produceren. Het vrijgekomen CO2 wordt gecapteerd en opgeslagen in de ondergrond.

Wat in de euforie na het klimaatakkoord van Parijs een beetje uit het oog verloren is, is dat bijna alle 2°C-scenario’s van het IPCC, het International Panel on Climate Change, rekenen op negatieve emissies. Het IPCC gaat ervan uit dat NET’s op grote schaal technisch, economisch en maatschappelijk haalbaar zullen zijn na 2050. Maar hier knelt het schoentje. Het merendeel van de NET’s staat nog in de kinderschoenen. Alle grootschalige projecten vandaag leggen ongeveer 0,03 gigaton CO2 per jaar vast, een verwaarloosbare fractie van wat nodig is in de IPCC scenario’s. Er stelt zich dan ook het dringende probleem van het opschalen van de negatieve emissiecapaciteit.

Vanuit groene hoek neemt het verzet tegen NET’s toe. Elke vorm van NET wordt verketterd vanuit het voorzorgsprincipe. Vertrouwen op deze opkomende technologieën, waarvan nog niet is aangetoond of ze überhaupt op grote schaal haalbaar zijn, zien tegenstaanders als een onverantwoorde gok. Ook zien zij NET’s als het gedroomd excuus voor de fossiele industrie om verder te blijven ‘vervuilen’. Zij gaan ervan uit dat inzetten op negatieve emissies onvermijdelijk gelijk staat aan het loslaten van de ambitieuze reductiedoelstellingen. Zij vrezen overshoot scenario’s, waarbij onder het mom van de toekomstige inzet van NET’s de teugels nu gevierd worden wat betreft de inspanningen op het vlak van emissiereducties. Het overschrijden van het koolstofbudget zou dan immers later toch goedgemaakt worden door negatieve emissies. Vanuit groene hoek wordt dan ook uitsluitend ingezet op massale emissiereductie op weg naar een koolstofvrije wereld. De vraag kan echter gesteld worden of dit wel verstandig is.

De bezorgdheid voor overshoot scenario’s is terecht. Het gaat immers uit van de zekere omkeerbaarheid van Aardse processen. Quod non! Een, zelfs tijdelijke, overshoot kan een aantal Aardse processen in gang zetten die uiteindelijk onomkeerbaar blijken te zijn. Maar is dit voldoende reden om categoriek negatieve emissie af te wijzen. Is het niet beter om NET’s achter de hand te hebben?

Of NET’s massaal op industriële schaal zullen kunnen worden ingezet, blijft nu een open vraag. Er nu op vertrouwen en reductie-inspanningen verminderen, is inderdaad geen optie. Dat betekent echter niet dat NET’s geen deel kunnen uitmaken van ons arsenaal aan maatregelen in de strijd tegen de klimaatopwarming. Maar dat betekent dat we nu moeten investeren in onderzoek en ontwikkeling om zo de ontplooiing op grote schaal na 2050 mogelijk te maken. Zoveel tijd rest ons dan ook niet meer om de diverse pistes van negatieve emissies voluit te verkennen. Negatieve emissie categorisch afwijzen vanuit een radicaal voorzorgsprincipe, kan ons immers zuur opbreken. Want als we dan na 2050 tot de vaststelling komen dat we de 2°C in 2100 niet meer halen zonder negatieve emissies, is het te laat. Dan rest ons nog enkel de klimaatcatastrofe. En dat willen de tegenstanders van negatieve emissies toch niet op hun geweten hebben?


Kernafval, het non-argument in de discussie rond de kernuitstap
(gepubliceerd op 15 december 2017 in De Morgen; pdf)

Telkens als de kernuitstap ter discussie staat, duikt de kwestie van het (hoogradioactief en langlevend) kernafval op. Het zogezegd uitblijven van een oplossing voor dit type kernafval pleit volgens de tegenstanders voor een (zo snel mogelijke) kernuitstap. Vanuit zuiver technologisch-wetenschappelijk perspectief is dit een non-argument. Ook als we vandaag alle kerncentrales sluiten, is er nog altijd het kernafval. We kunnen het niet zomaar wegtoveren. Een oplossing daarvoor zal er sowieso moeten komen.

Die ligt klaar: de geologische berging. Om dit type kernafval voor meerdere honderdduizenden jaren te isoleren van de biosfeer kunnen we ons niet beroepen op een menselijk beheerde oplossing, zoals oppervlakkige opslag.

We kunnen amper voorspellen hoe het politieke landschap er binnen tien jaar zal uitzien, laat staan over honderd jaar. Niemand kan iets zinnigs zeggen over hoe de menselijke beschaving er binnen duizend, laat staan binnen enkele tienduizenden jaren zal uitzien, als tegen dan de mensheid nog niet is uitgestorven. Maar aardwetenschappers kunnen met een vrij hoge graad van waarschijnlijkheid scenario’s uitwerken over hoe onze diepe ondergrond gaat evolueren over de komende honderdduizenden tot miljoenen jaren.

Vandaar dat een geologische berging de enige verantwoorde oplossing is voor het kernafval, zeker als we definitief een punt wensen te zetten achter het kerntijdperk. En eenmaal een geologische bergingscontext is gekozen, speelt het volume kernafval eigenlijk geen doorslaggevende rol meer. De extra hoeveelheid kernafval bij een mogelijk uitgestelde (gedeeltelijke) kernuitstap maakt dan ook niets meer uit. Het debat over het kernafval wordt dan ook best gescheiden gehouden van het debat over de kernuitstap. Ze staan los van elkaar.

Indien de oplossing voor het kernafval klaarligt, waarom aarzelt de regering dan om de keuze voor een geologische berging te maken? Waarom blijft de ecologisch geïnspireerde oppositie zich halsstarrig verzetten tegen deze enige, maatschappelijk verantwoorde oplossing? Nu een keuze maken voor de geologische berging is geen vrijgeleide voor een verlenging van het kerntijdperk. Integendeel, het maakt deel uit van het afsluiten van het kerntijdperk.

Hak eindelijk de knoop door. Kies nu voor de geologische berging. Wacht niet tot na de kernuitstap. Zo kan het maatschappelijke debat in alle hevigheid losbarsten en kan er worden gewerkt aan een breed maatschappelijk draagvlak rond mogelijke, geologisch optimale, bergingssites.

En vergis u niet. Niet de politiek, maar de geologie van de ondergrond zal in eerste plaats bepalen waar een geologische berging mogelijk is. Het is dan ook niet toevallig dat in België wordt gekeken naar klei en kleigesteenten. De andere mogelijke gastgesteenten, graniet en zout, komen gewoon niet voor in de Belgische ondergrond.

Tegen het einde van de eeuw moeten we definitief kunnen starten de laatste restanten van ons nucleair verleden te bergen. Laat ons dan ook niet zoals onze noorderburen de kop in het zand steken door de beslissing te nemen pas binnen honderd jaar te beslissen.

Laat ons nu kiezen voor een geologische berging van het hoogradioactief en langlevend kernafval. Het is de enige verantwoorde keuze die waarborgt dat we toekomstige generaties niet opzadelen met een zware erfenis uit het huidige kerntijdperk, waar we in 2025 een punt achter zetten.


Met aardbevingen valt te leven, met corruptie niet
(gepubliceerd op 25 augustus 2016 in De Morgen; pdf)

Achter de idyllische landschappen van de Apennijnen in Abruzzo en Lazio, bezaaid met Middeleeuwse dorpjes en stadjes, schuilt een onzichtbare maar permanente dreiging, deze van een mogelijk verwoestende aardbeving. De complexe geologie heeft ervoor gezorgd dat de ruggengraat van Italië één van de seismisch meest actieve gebieden is in Europa, zelfs in de wereld. De kans dat een bewoner van de Apennijnen in zijn of haar leven een sterke aardbeving meemaakt, is dan ook bijna een zekerheid.

Voor de aardbevingsgeoloog is deze aardbevingsdreiging echter niet zo onzichtbaar. Het landschap schreeuwt het als het ware uit. De actieve breuken hebben doorheen de recente geologische geschiedenis het landschap immers mee vorm gegeven. Zonder het echt te beseffen heeft de mens zich doorheen de eeuwen komen vestigen middenin deze ‘seismische’ landschappen. En omdat de verre voorouders de kostbare vruchtbare grond in de vlaktes en valleien niet wensten op te offeren, bouwden ze hun dorpen hogerop de hellingen … echter pal bovenop de actieve breuken. Het lijkt wel een fatal attraction, waarvan de generaties die na hen kwamen, de noodlottige prijs betalen. De geschiedenis heeft dus gezorgd voor een noodlottige samenloop van omstandigheden. De oude dorpjes en stadjes blijken uitermate kwetsbaar voor de gevolgen van de vele aardbevingen die zich in de regio voordoen. In de annalen van elk van deze stadjes vind je dan ook dat ze reeds verschillende keren getroffen zijn door een vernietigende aardbevingsramp.

De vraag kan dan ook gesteld worden hoe het komt dat er geen lessen getrokken worden uit de aardbevingsrampen uit het verleden. Want l’histoire se répète, telkens weer. Zeven jaar geleden werd L’Aquila, zo’n 30 km ten zuiden van Amatrice, zwaar getroffen door een sterke aardbeving met een vergelijkbare magnitude. Er vielen meer dan 300 slachtoffers te betreuren. En nu weer speelt zich een vergelijkbaar drama af. En het staat in de sterren geschreven dat Amatrice niet de laatste aardbevingsramp in de Apennijnen zal zijn. De aardbevingsdeskundigen weten dat, de overheden weten dat, de bewoners weten dat. Maar toch gebeurt er schijnbaar niets. Het blijft verbazen hoe een aardbevingsdreiging, hoe groot ook, onderdrukt wordt. Een soort fatalisme …

Maar moeten de bewoners van de Apennijnen dit noodlot weerloos ondergaan? Neen, absoluut niet. Bouwtechnisch is het geen enkel probleem om gebouwen bestendig te maken, zeker voor aardbevingen van deze magnitudes. Elk aardbevingsslachtoffer in een recent gebouw, is dan ook een slachtoffer teveel. Elke nieuwbouw in aardbevingsgebieden, ook in Italië, moet immers voldoen aan strikte aardbevingsbestendige bouwcodes. Dat er nog slachtoffers vallen, is dan ook toe te schrijven aan de bouwpromotoren, ondernemers, en bouwheren, die een loopje nemen met deze bouwcodes, hopende dat de ‘big one’ niet zal toeslaan. Hun misdadige bouwwerkzaamheden zitten mooi verstopt achter het pleisterwerk, en worden pas zichtbaar eenmaal het noodlot heeft toegeslagen. Het is inderdaad corruptie – niet alleen in Italië, maar wereldwijd – dat vandaag de dag aardbevingen nog steeds zo dodelijk maken.

Er valt bovendien te leren leven met aardbevingen. Voorbereid zijn, blijft nog steeds de beste verdediging tegen het aardbevingsgeweld. Ook hier geldt dat de goed voorbereide man en vrouw er twee waard is. Weten hoe je je best voorbereid op de onvermijdelijke aardbeving, hoe te reageren tijdens de aardbeving – Drop, Cover, and Hold on – en wat te doen direct na de aardbeving, is de sleutel tot aardbevingsveiligheid. Voorbereiden op een aardbeving is net in aardbevingsgebieden zoals de Apennijnen zo cruciaal omdat het onbegonnen werk is alle oude gebouwen aardbevingsbestendig te maken.

Amatrice is de zoveelste herinnering dat de aardbevingsdreiging in de Apennijnen meer dan ooit serieus moet genomen worden. En de overheid heeft hier de sleutels in handen: een strik handhavingsbeleid wat betreft het naleven van de aardbevingsbestendige bouwcodes, en een permanent sensibiliseringsbeleid wat betreft aardbevingsveiligheid. Zo niet, is het gewoon wachten op de volgende aardbevingsramp in de Apennijnen.


Het gas kan de Waddenzee helpen!
(gepubliceerd op 26 mei 2016 in het tijdschrift Noorderbreedte (Speciale Uitgave “Weerbare wadden”; pdf)

De Waddenzee is een complex getijdengebied  waar zee en land continu strijd leveren. Dergelijke dynamische systemen zijn uitermate gevoelig voor veranderingen, en dat maakt dat ze vanuit een aards perspectief zeer tijdelijk zijn. Op middellange termijn staat het Waddenzeesysteem nog het meest onder druk door de onvermijdelijke zeespiegelstijging. Of de Waddenzee 2100 haalt, zal dan ook in belangrijke mate afhangen van hoe met deze bedreiging wordt omgegaan. Het is immers niet meer de vraag of er een zeespiegelstijging komt, het is enkel nog de vraag hoeveel de zeespiegel zal stijgen. Wie uitsluitend focust op behoud, bezegelt het lot van de Waddenzee.

Om de natuurwaarde van de Waddenzee zoveel mogelijk te vrijwaren van deze bedreiging, moeten we resoluut kiezen voor adaptatieve maatregelen; er zijn forse ingrepen in het landschap nodig om de delicate balans tussen opslibbing en erosie zoveel mogelijk te beheren. Maar dat vergt grote investeringen. Om te beginnen in wetenschappelijk onderzoek om dit dynamische systeem tot in het detail te doorgronden, en zo diverse zeespiegelscenario’s te kunnen modelleren. Daarna vergen de uitvoeringsmaatregelen veel geld. Dan rijst natuurlijk de vraag wie dit alles gaat betalen. Overheden staan te springen. Kan de Waddenzee misschien zelf voor de nodige inkomsten zorgen? Waarom zouden we de gaswinning niet gebruiken als een financiële hefboom om de natuurwaarde van de Waddenzee duurzamer te maken?

Voor sommigen is het antwoord op deze vraag natuurlijk ‘neen’. Vaak niet eens zozeer vanuit een bezorgdheid over het lot van de Waddenzee, eerder vanuit een dogmatische geloof in een fossielvrije samenleving. Maar zij ontkennen de economische realiteit dat de komende decennia fossiele brandstoffen nog een belangrijk deel zullen uitmaken van onze energiemix. Is het dan niet beter een beroep te doen op het eigen gas in plaats van ingevoerde steenkool? Waarom zouden we de eigen gasbaten niet gebruiken voor een duurzame Waddenzee in plaats van buitenlandse gasleveranciers rijk te maken? Dit gaat dus niet over ‘spiegeltjes en kraaltjes’, zoals tegenstanders ons voorhouden. Het gaat zelfs niet over een compensatie. Nee, het gaat over noodzakelijke investeringen om te zorgen dat de Waddenzee 2100 haalt!

Natuurlijk, gaswinning bezorgt, zoals elke industriële activiteit, enerzijds (tijdelijke) overlast, en houdt anderzijds risico’s in. Zeker bij ondergrondse industriële activiteiten zijn deze risico’s vaak moeilijk in te schatten, omdat we  niet rechtstreeks zicht hebben op wat er zich diep in de ondergrond afspeelt. En dan kan het inderdaad grondig foutlopen, vooral wanneer mogelijke risico’s al te lang weggelachen worden door de exploitant en de vergunningsverstrekkende overheid. Vraag dat maar aan de Groningers.

Maar uit het Groningse debacle valt ook te leren. Zorg dat de lokale gemeenschap zich eigenaar voelt van de baten. Gebruik die voor de versterking van het gebied. Zo wordt het een verhaal van lasten én lusten, niet alleen op korte termijn, maar ook en vooral op lange termijn. Zo’n maatschappelijk gedragen win-win is alleen mogelijk met een exploitant, die maatschappelijk verantwoord en ethisch ondernemen (en exploiteren) hoog in het vaandel voert. En met een onafhankelijke regulator, die de effecten van de gaswinning nauwlettend opvolgt en – op basis van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek – ingrijpt als het dreigt fout te lopen. Uiteindelijk kan dit enkel slagen als de overheid betrouwbaar is, en aan de kant van haar burgers staat en niet aan de zijde van een op winst beluste exploitant.

De keuze is nu aan de wadbewoners: houden ze zich blind voor de zeespiegelstijging die de Waddenzee onherroepelijk gaat hertekenen of kiezen ze voor een  duurzame toekomst voor de Waddenzee, zodat we ook in 2100 nog van dit prachtige natuurgebied kunnen genieten.

Advertisements

Comments are closed.

Follow EarthlyMatters on WordPress.com
Advertisements
%d bloggers like this: