Geology & Society (in Dutch)

Op deze pagina zijn gepubliceerde opiniestukken verzameld die betrekking hebben op mijn visie over maatschappelijke probleemstellingen die toch in relatie staan met de geologie.


Toeristen, wees voorbereid op aardbevingen
(gepubliceerd op 9 augustus 2018 in De Morgen; pdf)

In de berichtgeving over de zware aardbeving die zondag het Indonesische Lombok trof, bleven toch een aantal beelden bij mij nazinderen. Zoals het beeld van een aantal westerse toeristen die met hun veelkleurige rolkoffers achter zich aan langs een totaal ingestort huis op weg zijn naar ergens (waarschijnlijk zo snel mogelijk huiswaarts). Of het dramatische beeld van de toeristen die zich verdringen aan de pier om zo snel mogelijk met de ferry een van de totaal verwoeste Gili-eilanden voor de kust van Lombok te ontvluchten. Of de toeristen in de luchthaven die voor de camera hun beklag doen dat ze niet weg kunnen van dit verdomde eiland omdat alle vluchten volgeboekt waren. Beelden die in schril contrast staan met de beelden van wanhopige Indonesiërs die naar geliefden en kostbaarheden op zoek zijn tussen het puin van wat ooit hun thuis was. En ondertussen loopt de dodentol gestaag op. Geluk bij een ongeluk, tot op heden geen toeristen onder de slachtoffers.

Natuurlijk hebben de toeristen ook het trauma doorgemaakt van de aardbeving. Zo’n zware aardbeving wens je niemand toe. Misschien meer nog dan de Indonesiërs zelf, die al het een en ander gewoon zijn als het op aardbevingen aankomt. Maar toch laten die beelden een wrange nasmaak achter. Beseffen die vluchtende, ongedeerde toeristen dan niet dat ze in de uren na de aardbeving de hulpdiensten, die op dat moment wel andere zorgen aan hun hoofd hebben, in de weg lopen? Zien zij dan niet in dat de weinige boten die beschikbaar zijn, best in de eerste plaats ingezet worden om gewonden van de Gili-eilanden te evacueren? Want uiteindelijk, van zodra van de schrik bekomen, weten de ongedeerde toeristen dat hen eenmaal terug in eigen land het comfort van een warme thuis wacht. Dit in tegenstelling tot de zwaar getroffen inwoners van Lombok. Hen wacht een zware lijdensweg.

Laten we echter het moraliserende vingertje maar achterwege. Want dan moet ik eerst zelf eens in de spiegel kijken en me afvragen hoe ik zelf zou reageren in zo’n situatie, ver weg van huis, in een vreemde omgeving, blootgesteld aan zo’n natuurgeweld. Toch valt er weerom iets te leren uit deze chaos.

Vooreerst dat de aardbevingsdreiging geglobaliseerd is. Het is niet langer enkel een dreiging voor zij die in aardbevingsgevoelige gebieden wonen. Het is een dreiging voor ons allemaal, de reizende mens, geworden. Ook voor zij die in niet-aardbevingsgevoelige landen, zoals België of Nederland, wonen. De geïnterviewde toeristen laten duidelijk blijken dat ze totaal niet doorhadden dat iets dergelijks überhaupt kon gebeuren op dit idyllische vakantie-eiland. Vulkanen, dat wel, dat geeft hoogstens wat nachtelijk spektakel, maar aardbevingen, dat niet. De schoolboeken aardrijkskunde zitten blijkbaar al heel ver weggestopt op zolder.

Om zich te beschermen tegen aardbevingen geldt eigenlijk maar één vuistregel: wees voorbereid. Ik vrees alleen dat je het aantal toeristen op Lombok, dat zich weldegelijk heeft voorbereid op mogelijk aardbevingen, op één hand kan tellen. Hoeveel toeristen zouden op voorhand een eigen noodplannetje hebben uitgewerkt in geval van? Hoeveel Belgische Indonesiëgangers zouden de webpagina van Buitenlandse Zaken met richtlijnen voor verblijf in aardbevingsgevoelige gebieden, geraadpleegd hebben? Ik vrees zo goed als geen enkele.

Maar het wordt ook tijd dat reisorganisaties en reisbegeleiders hun verantwoordelijkheid nemen. Bij het boeken van reizen naar aardbevingsgevoelige gebieden, of het nu gaat over een all-in vakantie of enkel vliegtickets, zouden zij de mensen daarover tenminste moeten informeren, hen verwijzen naar relevante webpagina’s, of hen zelfs een kleine flyer meegeven met richtlijnen. En neen, hierin schuilt geen gevaar dat men mensen gaat afschrikken om nog bepaalde bestemmingen aan te doen. Integendeel. Een verwittigd mens telt uiteindelijk nog altijd voor twee.

Ook plaatselijk moeten reisorganisaties meer proactief met de aardbevingsdreiging omgaan. Reeds in de selectie van mogelijke hotels kan men rekening houden met de aardbevingsbestendigheid van de gebouwen. Reisbegeleiders ter plaatse zouden hun klanten, naast de klassieke uitleg over al wat er in de omgeving te beleven valt, de nodige instructies kunnen geven over hoe zich voor te bereiden op een mogelijke aardbeving, wat te doen tijdens een aardbeving, alsook de nodige afspraken te maken over wat er te gebeuren valt na een zware aardbeving. Met zo’n noodplan kan dan immers vermeden worden dat in de eerste uren na de aardbeving toeristen voor de voeten lopen van de hulpdiensten. Evacuatie kan dan tenminste op een georganiseerde manier gebeuren.

Maar laten we vooral afspreken dat alvorens je je volgende reis plant, je toch nog eens die schoolboeken aardrijkskunde van onder het stof haalt. Dan weet je tenminste al welke natuurfenomen je mogelijk allemaal te wachten staan op uw gedroomde reisbestemming. Wees gewoon voorbereid!


Laten we het voortouw nemen bij diepzeemijnbouw
Niels Hulsbosch, Manuel Sintubin & Philippe Muchez
(gepubliceerd op 5 april 2018 in De Morgen)

De diepzee ligt bezaaid met rijke metaalafzettingen. Niet verwonderlijk dat nationale regeringen en mijnbouwbedrijven deze metaalafzettingen in het vizier nemen. Ook de Belgische overheid steunt de exploratie van deze diepzee-afzettingen. Vooral de mangaanknollen op de abyssale vlaktes – op een diepte van 4000 tot 6000 m – trekken de aandacht. Deze knollen bestaan hoofdzakelijk uit ijzer- en mangaanhydroxiden maar bevatten ook een verscheidenheid aan zeldzame metalen, in het bijzonder kobalt. Kobalt is een zodanig fundamenteel – en op het moment onvervangbaar – element in onze transitie naar een duurzame wereld, dat het ook niet verwonderlijk is dat het door de Europese Commissie wordt gezien als een van de 27 kritieke metalen en grondstoffen. Kobalt vindt immers zijn belangrijkste toepassing (42%) in hoogwaardige batterijen, essentieel voor de ontwikkeling van ‘low carbon’ energietechnologieën. De voorraden aan kobalt in de diepzee worden geschat op een veelvoud van de gekende voorraden op land. Diepzeemijnbouw opent dan ook het perspectief de aanvoer van dit kritieke metaal voor de toekomstige noden te verzekeren.

Nu dat de vooruitzichten op diepzeemijnbouw steeds realistischer worden, groeit ook het verzet vanuit de milieubewegingen. Zij beroepen zich vooreerst op het voorzorgsprincipe en betwijfelen enige noodzaak van deze bijkomende bron van primaire grondstoffen in de context van een goed draaiende circulaire economie. Zo pleitte recent de Bond Beter Leefmilieu er nog voor dat de Belgische overheid elke financiële of andere steun voor diepzeemijnbouw zou stopzetten (‘Belgische mijnbouw op de diepzeebodem: een race to the bottom’ – Olivier Beys, 16 maart 2018). Maar is het nu wel het moment om aan de zijlijn te gaan staan, net nu dat internationaal de kaders worden uitgetekend waarbinnen diepzeemijnbouw mogelijk zal kunnen plaatsvinden in de toekomst? In deze vroege testfase, hangen er inderdaad nog vele vragen rond diepzeemijnbouw, gaande van de technische haalbaarheid tot de economische rentabiliteit. Maar de grote onbekende is zeker de inschatting van de risico’s verbonden met diepzeemijnbouw. Zonder enige twijfel zal diepzeemijnbouw een niet te verwaarlozen impact hebben op de abyssale fauna en flora, waarvan we voor het ogenblik nog zo weinig weten. Hier delen we zeker de grote bezorgdheid van de milieubewegingen. Marien biologisch onderzoek naar deze kwetsbare ecosystemen op mogelijke exploitatiesites dienen elke testfase vooraf te gaan om zo niet alleen de impact, maar ook het regeneratiepotentieel van het ecosysteem te kunnen evalueren.

Het is echter onredelijk te denken dat een mondiale samenleving, met een exponentieel groeiende wereldbevolking en een gestage toename in welvaart, geen primaire grondstoffen meer nodig heeft, zeker op korte termijn, maar ook op middellange tot lange termijn. De recyclage van secundaire grondstoffen na hun gebruik– de kern van een circulaire economie – staat immers ook nog steeds in zijn kinderschoenen. Het recyclagepotentieel van kritieke metalen, zoals kobalt, aan het einde van de levenscyclus is nog steeds laag (~35% voor kobalt volgens de Europese Unie). Ook de aanvoer van vele secundaire kritieke grondstoffen is momenteel nog te beperkt doordat ze ingebouwd zijn in apparaten met een steeds langere levensduur. Nog lang zal de bijdrage van secundaire grondstoffen ontoereikend zijn om aan de toenemende vraag te voldoen en zullen we dus een beroep moeten doen op primaire grondstoffen. Bovendien neemt de milieu-impact van mijnbouw op land steeds meer toe, vooral omdat door toenemende metaalprijzen en efficiëntere mijnbouw- en extractietechnologieën, het ontginnen van grootschalige maar laaggradige afzettingen economisch rendabel geworden is.

We mogen ook niet naïef zijn. Als diepzeemijnbouw op internationaal vlak technisch en economisch haalbaar wordt, zal diepzeemijnbouw niet meer tegengehouden kunnen worden. We mogen dan ook niet de opportuniteit aan ons voorbij laten gaan om een actieve rol te spelen in deze initiële onderzoeksfase van de exploratie van diepzee-afzettingen. Onderzoeksprogramma’s gedreven vanuit een symbiose tussen universiteiten, onderzoeksinstellingen, bedrijven, en overheden moeten ons nu in staat stellen om zo snel mogelijk relevante geologische, marien biologische en mijnbouwkundige kennis te verwerven. Dit onderzoek moet instaan voor een degelijke wetenschappelijke onderbouwing bij het ontwikkelen van robuuste milieu-, sociale en institutionele regelgeving voor het evalueren, bewaken en reguleren van de toekomstige diepzeemijnbouw. We moeten samen werken aan het tot stand brengen van een cultuur van verantwoordelijk bestuur en beheer van diepzee-afzettingen, om uiteindelijk te zorgen voor een zo beperkt mogelijke milieu-impact van deze nieuwe industrietak die mee kan instaan voor de kritieke grondstoffen voor een hoogtechnologische, duurzame samenleving.

Het is dus nu zeker niet het moment om aan de kantlijn te gaan staan. Hier heeft België een aantal troeven in handen om in deze initiële, maar ook cruciale, fase een voortrekkersrol te spelen, met een uitgebreide wetenschappelijke expertise aan universiteiten en onderzoeksinstellingen, maar ook met wereldspelers op het vlak van zowel mariene ontginningen als recyclage van kritieke grondstoffen. Nu elke betrokkenheid in de ontwikkeling van diepzeemijnbouw opzeggen, kan in de toekomst leiden tot onverantwoord en ongereguleerd ontginnen zonder enige aandacht voor de milieu-impact, mogelijk onvoorziene prijsfluctuaties en verstoring van de markt, maar ook tot een mogelijke braindrain aan expertise uit ons land. De uiteindelijke beslissing om in te zetten op diepzeemijnbouw als een van de vormen van primaire grondstoffenproductie, zal een zorgvuldige beoordeling vergen van alle mijnbouwtechnische, milieu-gerelateerde, economische en sociale gevolgen in het kader van de internationaal afgesproken duurzaamheidsdoelstellingen. Laat ons dan ook in dit proces het voortouw nemen en een onuitwisbare stempel drukken op de internationale standaarden waaraan diepzeemijnbouw moet voldoen. Een verantwoorde, sterk gereguleerde en gemonitorde ontginning van primaire grondstoffen in de diepzee kan complementair zijn aan de ontginning van secundaire kritieke grondstoffen in het kader van een circulaire economie. Dat de Belgische overheid zich nu zou terugtrekken uit dit vroege stadium van een proces dat nog jaren, zelfs decennia zal in beslag nemen, zou dan ook een fout signaal zijn.


Kernafval, het non-argument in de discussie rond de kernuitstap
(gepubliceerd op 15 december 2017 in De Morgen; pdf)

Telkens als de kernuitstap ter discussie staat, duikt de kwestie van het (hoogradioactief en langlevend) kernafval op. Het zogezegd uitblijven van een oplossing voor dit type kernafval pleit volgens de tegenstanders voor een (zo snel mogelijke) kernuitstap. Vanuit zuiver technologisch-wetenschappelijk perspectief is dit een non-argument. Ook als we vandaag alle kerncentrales sluiten, is er nog altijd het kernafval. We kunnen het niet zomaar wegtoveren. Een oplossing daarvoor zal er sowieso moeten komen.

Die ligt klaar: de geologische berging. Om dit type kernafval voor meerdere honderdduizenden jaren te isoleren van de biosfeer kunnen we ons niet beroepen op een menselijk beheerde oplossing, zoals oppervlakkige opslag.

We kunnen amper voorspellen hoe het politieke landschap er binnen tien jaar zal uitzien, laat staan over honderd jaar. Niemand kan iets zinnigs zeggen over hoe de menselijke beschaving er binnen duizend, laat staan binnen enkele tienduizenden jaren zal uitzien, als tegen dan de mensheid nog niet is uitgestorven. Maar aardwetenschappers kunnen met een vrij hoge graad van waarschijnlijkheid scenario’s uitwerken over hoe onze diepe ondergrond gaat evolueren over de komende honderdduizenden tot miljoenen jaren.

Vandaar dat een geologische berging de enige verantwoorde oplossing is voor het kernafval, zeker als we definitief een punt wensen te zetten achter het kerntijdperk. En eenmaal een geologische bergingscontext is gekozen, speelt het volume kernafval eigenlijk geen doorslaggevende rol meer. De extra hoeveelheid kernafval bij een mogelijk uitgestelde (gedeeltelijke) kernuitstap maakt dan ook niets meer uit. Het debat over het kernafval wordt dan ook best gescheiden gehouden van het debat over de kernuitstap. Ze staan los van elkaar.

Indien de oplossing voor het kernafval klaarligt, waarom aarzelt de regering dan om de keuze voor een geologische berging te maken? Waarom blijft de ecologisch geïnspireerde oppositie zich halsstarrig verzetten tegen deze enige, maatschappelijk verantwoorde oplossing? Nu een keuze maken voor de geologische berging is geen vrijgeleide voor een verlenging van het kerntijdperk. Integendeel, het maakt deel uit van het afsluiten van het kerntijdperk.

Hak eindelijk de knoop door. Kies nu voor de geologische berging. Wacht niet tot na de kernuitstap. Zo kan het maatschappelijke debat in alle hevigheid losbarsten en kan er worden gewerkt aan een breed maatschappelijk draagvlak rond mogelijke, geologisch optimale, bergingssites.

En vergis u niet. Niet de politiek, maar de geologie van de ondergrond zal in eerste plaats bepalen waar een geologische berging mogelijk is. Het is dan ook niet toevallig dat in België wordt gekeken naar klei en kleigesteenten. De andere mogelijke gastgesteenten, graniet en zout, komen gewoon niet voor in de Belgische ondergrond.

Tegen het einde van de eeuw moeten we definitief kunnen starten de laatste restanten van ons nucleair verleden te bergen. Laat ons dan ook niet zoals onze noorderburen de kop in het zand steken door de beslissing te nemen pas binnen honderd jaar te beslissen.

Laat ons nu kiezen voor een geologische berging van het hoogradioactief en langlevend kernafval. Het is de enige verantwoorde keuze die waarborgt dat we toekomstige generaties niet opzadelen met een zware erfenis uit het huidige kerntijdperk, waar we in 2025 een punt achter zetten.


Met aardbevingen valt te leven, met corruptie niet
(gepubliceerd op 25 augustus 2016 in De Morgen; pdf)

Achter de idyllische landschappen van de Apennijnen in Abruzzo en Lazio, bezaaid met Middeleeuwse dorpjes en stadjes, schuilt een onzichtbare maar permanente dreiging, deze van een mogelijk verwoestende aardbeving. De complexe geologie heeft ervoor gezorgd dat de ruggengraat van Italië één van de seismisch meest actieve gebieden is in Europa, zelfs in de wereld. De kans dat een bewoner van de Apennijnen in zijn of haar leven een sterke aardbeving meemaakt, is dan ook bijna een zekerheid.

Voor de aardbevingsgeoloog is deze aardbevingsdreiging echter niet zo onzichtbaar. Het landschap schreeuwt het als het ware uit. De actieve breuken hebben doorheen de recente geologische geschiedenis het landschap immers mee vorm gegeven. Zonder het echt te beseffen heeft de mens zich doorheen de eeuwen komen vestigen middenin deze ‘seismische’ landschappen. En omdat de verre voorouders de kostbare vruchtbare grond in de vlaktes en valleien niet wensten op te offeren, bouwden ze hun dorpen hogerop de hellingen … echter pal bovenop de actieve breuken. Het lijkt wel een fatal attraction, waarvan de generaties die na hen kwamen, de noodlottige prijs betalen. De geschiedenis heeft dus gezorgd voor een noodlottige samenloop van omstandigheden. De oude dorpjes en stadjes blijken uitermate kwetsbaar voor de gevolgen van de vele aardbevingen die zich in de regio voordoen. In de annalen van elk van deze stadjes vind je dan ook dat ze reeds verschillende keren getroffen zijn door een vernietigende aardbevingsramp.

De vraag kan dan ook gesteld worden hoe het komt dat er geen lessen getrokken worden uit de aardbevingsrampen uit het verleden. Want l’histoire se répète, telkens weer. Zeven jaar geleden werd L’Aquila, zo’n 30 km ten zuiden van Amatrice, zwaar getroffen door een sterke aardbeving met een vergelijkbare magnitude. Er vielen meer dan 300 slachtoffers te betreuren. En nu weer speelt zich een vergelijkbaar drama af. En het staat in de sterren geschreven dat Amatrice niet de laatste aardbevingsramp in de Apennijnen zal zijn. De aardbevingsdeskundigen weten dat, de overheden weten dat, de bewoners weten dat. Maar toch gebeurt er schijnbaar niets. Het blijft verbazen hoe een aardbevingsdreiging, hoe groot ook, onderdrukt wordt. Een soort fatalisme …

Maar moeten de bewoners van de Apennijnen dit noodlot weerloos ondergaan? Neen, absoluut niet. Bouwtechnisch is het geen enkel probleem om gebouwen bestendig te maken, zeker voor aardbevingen van deze magnitudes. Elk aardbevingsslachtoffer in een recent gebouw, is dan ook een slachtoffer teveel. Elke nieuwbouw in aardbevingsgebieden, ook in Italië, moet immers voldoen aan strikte aardbevingsbestendige bouwcodes. Dat er nog slachtoffers vallen, is dan ook toe te schrijven aan de bouwpromotoren, ondernemers, en bouwheren, die een loopje nemen met deze bouwcodes, hopende dat de ‘big one’ niet zal toeslaan. Hun misdadige bouwwerkzaamheden zitten mooi verstopt achter het pleisterwerk, en worden pas zichtbaar eenmaal het noodlot heeft toegeslagen. Het is inderdaad corruptie – niet alleen in Italië, maar wereldwijd – dat vandaag de dag aardbevingen nog steeds zo dodelijk maken.

Er valt bovendien te leren leven met aardbevingen. Voorbereid zijn, blijft nog steeds de beste verdediging tegen het aardbevingsgeweld. Ook hier geldt dat de goed voorbereide man en vrouw er twee waard is. Weten hoe je je best voorbereid op de onvermijdelijke aardbeving, hoe te reageren tijdens de aardbeving – Drop, Cover, and Hold on – en wat te doen direct na de aardbeving, is de sleutel tot aardbevingsveiligheid. Voorbereiden op een aardbeving is net in aardbevingsgebieden zoals de Apennijnen zo cruciaal omdat het onbegonnen werk is alle oude gebouwen aardbevingsbestendig te maken.

Amatrice is de zoveelste herinnering dat de aardbevingsdreiging in de Apennijnen meer dan ooit serieus moet genomen worden. En de overheid heeft hier de sleutels in handen: een strik handhavingsbeleid wat betreft het naleven van de aardbevingsbestendige bouwcodes, en een permanent sensibiliseringsbeleid wat betreft aardbevingsveiligheid. Zo niet, is het gewoon wachten op de volgende aardbevingsramp in de Apennijnen.


Het gas kan de Waddenzee helpen!
(gepubliceerd op 26 mei 2016 in het tijdschrift Noorderbreedte (Speciale Uitgave “Weerbare wadden”; pdf)

De Waddenzee is een complex getijdengebied  waar zee en land continu strijd leveren. Dergelijke dynamische systemen zijn uitermate gevoelig voor veranderingen, en dat maakt dat ze vanuit een aards perspectief zeer tijdelijk zijn. Op middellange termijn staat het Waddenzeesysteem nog het meest onder druk door de onvermijdelijke zeespiegelstijging. Of de Waddenzee 2100 haalt, zal dan ook in belangrijke mate afhangen van hoe met deze bedreiging wordt omgegaan. Het is immers niet meer de vraag of er een zeespiegelstijging komt, het is enkel nog de vraag hoeveel de zeespiegel zal stijgen. Wie uitsluitend focust op behoud, bezegelt het lot van de Waddenzee.

Om de natuurwaarde van de Waddenzee zoveel mogelijk te vrijwaren van deze bedreiging, moeten we resoluut kiezen voor adaptatieve maatregelen; er zijn forse ingrepen in het landschap nodig om de delicate balans tussen opslibbing en erosie zoveel mogelijk te beheren. Maar dat vergt grote investeringen. Om te beginnen in wetenschappelijk onderzoek om dit dynamische systeem tot in het detail te doorgronden, en zo diverse zeespiegelscenario’s te kunnen modelleren. Daarna vergen de uitvoeringsmaatregelen veel geld. Dan rijst natuurlijk de vraag wie dit alles gaat betalen. Overheden staan te springen. Kan de Waddenzee misschien zelf voor de nodige inkomsten zorgen? Waarom zouden we de gaswinning niet gebruiken als een financiële hefboom om de natuurwaarde van de Waddenzee duurzamer te maken?

Voor sommigen is het antwoord op deze vraag natuurlijk ‘neen’. Vaak niet eens zozeer vanuit een bezorgdheid over het lot van de Waddenzee, eerder vanuit een dogmatische geloof in een fossielvrije samenleving. Maar zij ontkennen de economische realiteit dat de komende decennia fossiele brandstoffen nog een belangrijk deel zullen uitmaken van onze energiemix. Is het dan niet beter een beroep te doen op het eigen gas in plaats van ingevoerde steenkool? Waarom zouden we de eigen gasbaten niet gebruiken voor een duurzame Waddenzee in plaats van buitenlandse gasleveranciers rijk te maken? Dit gaat dus niet over ‘spiegeltjes en kraaltjes’, zoals tegenstanders ons voorhouden. Het gaat zelfs niet over een compensatie. Nee, het gaat over noodzakelijke investeringen om te zorgen dat de Waddenzee 2100 haalt!

Natuurlijk, gaswinning bezorgt, zoals elke industriële activiteit, enerzijds (tijdelijke) overlast, en houdt anderzijds risico’s in. Zeker bij ondergrondse industriële activiteiten zijn deze risico’s vaak moeilijk in te schatten, omdat we  niet rechtstreeks zicht hebben op wat er zich diep in de ondergrond afspeelt. En dan kan het inderdaad grondig foutlopen, vooral wanneer mogelijke risico’s al te lang weggelachen worden door de exploitant en de vergunningsverstrekkende overheid. Vraag dat maar aan de Groningers.

Maar uit het Groningse debacle valt ook te leren. Zorg dat de lokale gemeenschap zich eigenaar voelt van de baten. Gebruik die voor de versterking van het gebied. Zo wordt het een verhaal van lasten én lusten, niet alleen op korte termijn, maar ook en vooral op lange termijn. Zo’n maatschappelijk gedragen win-win is alleen mogelijk met een exploitant, die maatschappelijk verantwoord en ethisch ondernemen (en exploiteren) hoog in het vaandel voert. En met een onafhankelijke regulator, die de effecten van de gaswinning nauwlettend opvolgt en – op basis van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek – ingrijpt als het dreigt fout te lopen. Uiteindelijk kan dit enkel slagen als de overheid betrouwbaar is, en aan de kant van haar burgers staat en niet aan de zijde van een op winst beluste exploitant.

De keuze is nu aan de wadbewoners: houden ze zich blind voor de zeespiegelstijging die de Waddenzee onherroepelijk gaat hertekenen of kiezen ze voor een  duurzame toekomst voor de Waddenzee, zodat we ook in 2100 nog van dit prachtige natuurgebied kunnen genieten.

Advertisements

Comments are closed.

Follow EarthlyMatters on WordPress.com
Advertisements
%d bloggers like this: