Science communication (in Dutch)

Op deze pagina zijn gepubliceerde opiniestukken verzameld die betrekking hebben op mijn visie over wetenschapscommunicatie en wetenschapspopularisering.


Verwar het wetenschappelijk debat niet met het maatschappelijk debat
(gepubliceerd op 13 oktober 2017 in De Morgen)

De oproep van een aantal Leuvense academici om het tegensprekelijke wetenschappelijk debat vooral in de luwte te laten doorgaan, is vorige week door opiniemakers en collega’s geïnterpreteerd als een oproep om zich terug te trekken uit het maatschappelijke debat. Technocratische hoogmoed en zelfs dedain voor het publieke debat werd hen aangewreven. Deze ongelukkige interpretatie lijkt me grotendeels terug te brengen tot een verwarring tussen het wetenschappelijke debat en het maatschappelijke debat. Al is de scheiding tussen beide vormen van debat niet altijd strikt te maken, kennen beiden wel hun eigen – al of niet ongeschreven – spelregels; hun eigen finaliteit; en hun eigen fora.

Het wetenschappelijke debat heeft vooreerst de vooruitgang van de wetenschap voor ogen, vaak enkel gedreven door nieuwsgierigheid. Dit debat vindt plaats binnen de onderzoeksgroepen zelf, op wetenschappelijke bijeenkomsten, en via peer-reviewed publicaties in internationale wetenschappelijke tijdschriften. Net om dit debat in alle hevigheid te laten plaatsvinden, is het misschien goed dat het in de luwte gebeurt, ver weg van het publieke forum. Dit moet de onafhankelijkheid en de objectiviteit van het wetenschappelijk onderzoek zoveel mogelijk garanderen. Ook het proces van peer-review – al is het niet zaligmakend – blijft tot nader order het beste wat er is om wetenschappelijk onderzoek te valideren. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat het wetenschappelijk debat niet in alle openheid en transparantie moet gebeuren. Vandaag beschikken wetenschappers over tal van instrumenten om zowel de resultaten van hun eigen onderzoek als controverses in hun onderzoekdomein, te delen met het publiek, gaande van populair wetenschappelijke tijdschriften, (micro)blogs, lezingen in parochiezaaltjes, of mediaoptredens.

En ja, wetenschappers zijn mensen van vlees en bloed. Ook zij hebben ambities, ego’s en overtuigingen. Maar in een wetenschappelijk debat, waar de vooruitgang van de kennis zou moeten primeren, worden deze best zoveel mogelijk thuis gelaten. Steeds dienen de wetenschappers er toch behoedzaam voor te zijn, dat hun onderzoek niet gestuurd wordt door enige politieke, religieuze, of andere overtuiging, noch door hun persoonlijke ambities of ego’s.

Dat het wetenschappelijk debat onvermijdelijk naar een consensus leidt, is natuurlijk onzin. In de wetenschap bestaat geen “onbetwistbare waarheid”. Elke wetenschapsdiscipline kent immers zijn ‘scholen’ die een wetenschappelijk strijd op het scherp van de snee voeren. Alleen stuwen deze wetenschappelijke veldslagen de wetenschap vooruit, net omdat modellen en interpretaties permanent worden in vraag gesteld. In het wetenschapsgebeuren vertaalt een zogezegde consensus zich eerder in een paradigma of theorie, maar ook deze hebben geen eeuwigheidswaarde. Denk hierbij maar aan de evolutietheorie, het paradigma van de platentektoniek, of de oerknaltheorie.

De rol van de academicus in het maatschappelijk debat is totaal anders. Deze rol kan heel wat vormen aannemen, van factchecker, expert, opiniemaker tot activist. Of ja, zelfs als ‘gewone’ burger, ook daar heeft een academicus recht op. In al hun academische vrijheid maken academici zelf de keuze hoe ver zij willen gaan in hun maatschappelijk engagement. Als experten ondersteunen academici vanuit hun expertise het maatschappelijk debat en geven zo beleidsverantwoordelijken de mogelijkheid om wetenschappelijk onderbouwde keuzes te maken. Als opiniemakers of activisten, zijn academici dan weer de luis in de pels en houden zij de maatschappij een kritische spiegel voor. En geen rector haalt het in zijn/haar hoofd aan deze academische vrijheid te tornen.

Natuurlijk mag in het maatschappelijke debat de persoonlijke overtuiging van de academicus ten volle meespelen, zolang duidelijk blijft wat de persoonlijke overtuiging is en wat een wetenschappelijk gedragen stelling is, ook al is dat niet steeds gemakkelijk.

En wat met de wetenschappelijk consensus in het maatschappelijke debat? Daar ligt een vaak moeizaam proces achter waarbij experten vertrekken van een stand-van-zaken van de voorhanden zijnde kennis en zo trachten de onzekerheden inherent aan modellen en interpretaties in kaart te brengen. Uiteindelijk wordt dit vertaald in een standpunt dat door een meerderheid van de wetenschappers gedragen wordt. Een schoolvoorbeeld hiervan is het IPCC dat nu voor 95% – geen 100% – zeker is dat de mens verantwoordelijk is voor de huidige klimaatopwarming. Dit is wat de klimaatproblematiek betreft, de huidige wetenschappelijke consensus. Wetenschappers die dit meerderheidstandpunt afvallen, vallen tegenwoordig onder de noemer van de klimaatontkenners.

In het maatschappelijke debat wordt uiteindelijk best gestreefd de wetenschappelijke consensus – het meerderheidstandpunt – zoveel mogelijk te respecteren. Een overdreven aandacht voor minderheidstandpunten kan inderdaad leiden tot een publieke perceptie dat de wetenschappers het ook niet weten en ook maar een ‘mening’ verkondigen. De geloofwaardigheid van de wetenschap wordt zo ondergraven. Dit moeten ook wetenschappers, die fervent de wetenschappelijke consensus blijven in vraag stellen, beseffen. Zij staan best stevig in hun wetenschappelijk schoenen, om hun minderheidstandpunt hard te maken en zo de maatschappij te overtuigen van hun gelijk. En ja, sloganeske uitspraken zijn dan waarschijnlijk niet de beste manier om dit doel te bereiken. Ook hier kan peer review van pas komen door alle deelnemers aan het publieke debat een zekere houvast te geven in hun gezonde kritische ingesteldheid ten opzichte van de experten.

Laten we het wetenschappelijke debat en het maatschappelijke debat niet met elkaar verwarren. Laat het wetenschappelijke debat maar in de luwte van de ‘ivoren toren’ gebeuren. En laat de academici ook toe – meer zelfs, stimuleer hen – om een actieve rol op te nemen in het maatschappelijk debat. Het maatschappelijk debat zal er alleen maar bij winnen. Het publieke debat verdient inderdaad de branie, het genie en de kritiek van zoveel mogelijk academici. Maar academici zijn zich ook steeds bewust van de uiteindelijke ‘autoriteit’ die hen toebedeeld wordt. En dan is enige bedachtzaamheid zeker geen blijk aan gebrek aan durf.


Er zijn grenzen aan transparantie (in het belang van de burger)
(gepubliceerd op 12 augustus 2017 in De Morgen)

Naar aanleiding van de fipronilaffaire was de verontwaardiging weer groot omdat het Federaal Agentschap voor Voedselveiligheid niet alle informatie waarover ze beschikken, publiek gemaakt heeft. De burger heeft daar tenslotte toch recht op. Alle cijfers, alle onderzoeksresultaten open en bloot op tafel … in naam van de transparantie. De burger heeft er dan misschien recht op, maar toch moet de vraag gesteld worden of de burger er ook iets aan heeft, aan al dat feitelijke materiaal, al die onderzoeksresultaten, statistische analysen, en zo meer. Of zijn er grenzen aan de transparantie in het belang van de burger.

Deze vraag stel ik me al een tijdje in het kader van de problematiek van de door de gaswinning geïnduceerde aardbevingen in het Nederlandse Groningen. Sinds de Huizinge-aardbeving, nu 5 jaar geleden, worden alle onderzoeksrapporten gewoon ‘op het internet gesmeten’, zogezegd als blijk van transparantie naar de maatschappij.

Maar wat zie je gebeuren? Dat al die gedeelde onderzoeksresultaten ten prooi vallen van een plaag van cherrypicking. Uiteindelijk vindt om het even wie wel een onderzoeksresultaat, een aanname, een veronderstelling, een conclusie dat zijn/haar grote gelijk bevestigt. Vooral actievoerders van alle mogelijke pluimage en politici zijn in dit bedje ziek. Al te graag pakken zij uit met net die paragraaf uit een of ander onderzoeksrapport dat in hun kraam past. Kakofonie verzekerd! Maar ook zelfverklaarde experten gaan aan de slag met al die onderzoeksresultaten. Zij brouwen een eigen – alternatieve – wetenschap, die steeds verder komt te staan van de ‘echte’ wetenschap. Deze alternatieve wetenschap, doorgaans vrij eenvoudig en vol met zekerheden, begint een eigen leven te leiden. Het gaat er bij al wie geen kennis van zaken heeft, in als zoete koek. De ‘echte’ wetenschap krijgt geen kans meer de aanhangers van deze alternatieve, van de realiteit ontkoppelde, wetenschap nog van gedacht te doen veranderen. De ‘echte’ wetenschap biedt immers geen zekerheden, geeft geen gemakkelijke antwoorden op de vragen waarmee de betrokken burger zit.

Een totale transparantie, waarbij alle informatie droogweg gedeeld wordt met het publiek, dreigt dan ook als een boemerang terug te keren. Zonder heldere duiding heeft dit gewoon geen zin. Dit hebben we ook deze week meegemaakt op het moment dat cijfermateriaal over de fipronilconcentraties begon te circuleren. De daaropvolgende kakofonie over de betekenis van de gemeten fipronilwaarden heeft uiteindelijk meer kwaad dan goed gedaan. Hoelang heeft het geduurd alvorens op een heldere manier werd uitgelegd wat nu het verschil is tussen een productnorm, een acute referentiedosis of een acceptabele dagelijkse inname? Veel te lang …

Als burger hoef ik niet toegang te hebben tot alle mogelijke onderzoeksresultaten en cijfermateriaal. Wat ben ik daarmee. Laat de experten toch hun werk doen. Wat ik als burger wel wil, is ten gepaste tijde een eenduidige, wetenschappelijk onderbouwde communicatie door die experten, die de focus legt op duiding en contextualisering. Voor dergelijke communicatie is het echter de kunst om een balans te vinden tussen wat wel publiek te maken en wat niet. Maar met dergelijke grenzen aan transparantie kan ik als burger gerust leven.


Een onbewoonbare aarde: Hollywood-horror of degelijke klimaatjournalistiek?
(gepubliceerd op 26 juli 2017 in De Morgen (pdf); longread gepubliceerd op 28 juli 2017 op KULeuvenBlogt)

“The Uninhabitable Earth. Famine, economic collapse, a sun that cooks us: What climate change could wreak – sooner than you think” … titelde een essay in New York Magazine. Het schetste het worst case scenario van extreme klimaatopwarming die de wereld tegen 2100 grotendeels onleefbaar maakt. De reacties uit de klimaatwereld blijven niet uit. Climate Doomsdayism, Climate Disaster Porn, … de grote woorden worden niet geschuwd om dit apocalyptische essay met de grond gelijk te maken. Dit extreme klimaatalarmisme wordt dan ook op gelijke voet gezet als de klimaatontkenning. Beide leiden nergens toe … maar is dat zo?

Hoe heetgebakerd moeten we communiceren over de warmer wordende toekomst van onze wereld? Wat is de beste manier om mensen te overtuigen en te motiveren om anders te gaan leven en denken om voor een leefbare wereld te zorgen voor onze kleinkinderen, achterkleinkinderen en de generaties daarna?

Want laat er ons geen doekjes om winden. De wereld zal blijven opwarmen de komende eeuwen, ongeacht welke maatregelen we nu ook nemen. Het kwaad is geschied. De enige keuze die we nu nog hebben, is hoeveel warmer de wereld zal worden en hoe lang de klimaatopwarming nog zal duren alvorens de Aardse systemen de opwarming beginnen te temperen. Wat u of ik nu doet, heeft geen zichtbaar effect en wat we collectief doen heeft slechts een heel traag en moeilijk meetbaar effect.

Actie is dus nog wel belangrijk en de vraag is of horrorberichten dit kunnen verwezenlijken. Tijd dus om ook de communicatie rond klimaatwetenschappen wat academischer aan te pakken. Overdreven angst, zoals in de horrorscenario’s, wordt door leken vaak gebruikt om iemand alsnog te overtuigen. Denk ook maar aan weerzinwekkende beelden op tabaksverpakkingen of harde campagnes rond verkeerssensibilisering. Maar de wetenschap leert ons al veel langer dat dit doorgaans niet werkt. Een angstaanjagende boodschap slaagt er vooral in om aandacht te trekken. Het probleem is dat die aandacht vervolgens kwalijke gevolgen heeft. Omdat het te angstaanjagend is en er niet meteen een oplossing is, gaan mensen typisch de angst wegredeneren. Zo denkt de burger wellicht dat het met dat klimaat nog wel zal meevallen, of dat “men” wel een oplossing zal vinden, of dat het eigen individuele gedrag toch geen verschil uitmaakt.

Werkt zo’n angstaanjagende boodschap dan nooit? Toch wel. Voorzien van een duidelijke oplossing kan het wel werken. Daar wringt natuurlijk het schoentje als het om het klimaat gaat, want er is niet één duidelijke oplossing en al zeker niet een oplossing die unaniem gedragen wordt. Extreem klimaatalarmisme werkt dus niet.

Hoe dan wel communiceren? Een (matig) alarmerende boodschap mag nog wel om de sense of urgency te bewaren, maar verder moeten we communiceren met boodschappen die betrekking hebben op de dagelijkse realiteit van mensen en op een positieve manier stimuleren. Burgers nemen dagelijks beslissingen over het gebruik van transportmiddelen, toestellen, maaltijden, enz. Sceptici zullen die individuele gedragingen een druppel op een hete (aard)plaat vinden, maar zelfs al hebben die geen rechtstreeks effect, dan kunnen ze nog steeds de houding veranderen. Op die manier worden we tenminste voorbereid op meer ingrijpende maatregelen wanneer de overheden die willen inzetten (of kunnen we als burgers zo de deur openen voor politieke moed om die maatregelen te nemen).We moeten mensen dus aanzetten tot eenvoudige acties die vooral een positief verschil kunnen maken in hun eigen leven.


 

Advertisements

Comments are closed.

Follow EarthlyMatters on WordPress.com
Advertisements
%d bloggers like this: